De eis van de muze

 

De eis van de muze

Het toneel van het parochiepatronaat was de plaats waar we optraden tijdens de bonte avonden. Het zeepkisttrio, het bekschaaftrio, uitbeeldingen van sprookjes onder begeleiding van mandolines. Een jaarlijks optreden was wel het minste wat onze familieleden mochten verwachten. De hele culturele trein na 1946 stond nog op de rails. We leefden nog in de sfeer van voor de oorlog. De zeepkist was de zelfgemaakte bas met een snaar en de bassist speelde ook piano als dat nodig was met behulp van het Ei van Co op de standaard voor de juiste akkoorden. We duikelden altijd wel een accordeonspeler op om mee te doen met de mondharmonica’s. De mondharmonica,  eerder nog dan de blokfluit, het ‘sine qua non’ van onze jeugdbeweging. En route trok er altijd wel eentje zijn mondschaaf tevoorschijn uit zijn of haar zak. Zelfs Baloe had er eentje in haar grote borstzak van haar beige shirt, een kleintje weliswaar. Je moest je als welpje niet tegen haar boezem vleien anders kreeg je een schaaf in je gezicht. Er werd dan ook niet gewandeld maar stevig doorgestapt op haar maat want je moest ergens arriveren.

We liepen van de toneelzaal door naar het zusterklooster en over de speelplaats naar de meisjesschool waar we uiteraard niets te zoeken hadden maar waar we weliswaar wel even konden ravotten om de nodige onstuimigheid kwijt te raken. Daar stond ook een piano waar de kapelaan van dienst c.q. onze eigen geliefde aalmoezenier op speelde om onze liedjes in te studeren. Naast het privilege van het voor andere jongens streng verboden meisjes speelplaats te mogen betreden, zagen we ook wel eens in de verte een non zonnebaden met haar brevier opengeslagen op haar schoot en haar kap afgezet naast haar.

Diegenen die op het kerkkoor zaten werden door de meester van de hoogste klas ingestudeerd boven achter in de kerk. Daarvoor moesten we de mannenkant op door de sacristie, helemaal door de kerk muisstil langs de biechtstoelen naar achter, de wenteltrap op en naast het orgel hielden we halt. Met de vaart die we de trap opkwamen hollen was het afremmen een groot gevaar. Als pijlen uit een boog schoten we het koor op. Met een smak vlogen we tegen de blaasbalgkast van het orgel aan dat aan het opwarmen was. We dachten dat het geluid ontstond door onze botsing. De organist, zelf nog een kwajongen, vond het prima, maar het geluid van een mekkerende geit dat hoorbaar werd, was afkomstig van een boze dirigent. Grapjes waren sowieso verboden.

Met het zingen zat het dus wel goed en met het muziek maken eigenlijk ook wel want iedereen in het diepe zuiden kreeg les van een familielid of zat bij een drumband of harmonievereniging. Met mijn accordeon les ging het niet zo goed. Van mijn oom, de oudste broer van mijn vader, moest ik eerst de mollen en de kruisen aanwijzen en benoemen voor ik erop mocht drukken. Ik kon daardoor eerder noten lezen dan de letters van mijn toekomstig pseudoniem. Maar het trauma bij mij gaat dieper. Het kleine jongetje mocht de grote trekzak van oom omhangen waardoor hij omviel, voorover op de muziekstandaard waardoor deze verboog met een hoog piepend onmuzikaal geluid. Dat betekende de grens of het toppunt van mijn muzikanten carrière. Mijn lieve oom die iedere zondagmorgen chocolade pindarepen voor me meebracht als hij koffie kwam drinken bij mijn ouders en dan tevens mij les gaf, was te oud om hier pedagogisch mee te kunnen omgaan. Mijn moeder heeft toen korte metten gemaakt en de oude afgedankte jazzgitaar van de voetbalvriend van mijn vader overgenomen. Ik heb nu nog altijd de eeltplekken op mijn ziel en de gaatjes in mijn voeten want ik kreeg er zijn oude voetbalschoenen bij cadeau waarbij de spijkers van de doppen naar binnen drongen.

Jan Nuijten  6 I 2020      638 wrdn

 

U kunt hier een reactie plaatsen!