sep 24, 2013 - Proza    No Comments

Gestolen goed gedijt niet

Gestolen goed gedijt niet

-Dat is dan afgesproken. Morgen vroeg vertrekken we uit Vlissingen bij laagwater, riep kapitein Peperschuit, zich voldaan in de handen wrijvend. Zijn stoere, witte schipperstrui stond hem uitstekend en dat wist hij maar al te goed.

-En wie niet op tijd komt, heeft het nakijken. Klokslag vijf uur heit de klok bij het keren van het tij. Stampend en klossend maakte hij zich uit de voeten op weg naar zijn eigen, hoogst persoonlijke achterkajuit, die alleen voor hem bestemd is en zijn liefjes. Niemand van de bemanning had het lef achter de bezaansmast te komen op straffe van een stevige uitbrander. En dan kwam je er goed vanaf. De laatste tijd had hij wel overdreven gereageerd en op een dag had hij er eentje een hele dag in het vooronder opgesloten.

-Hij heeft wat te verbergen, had het slachtoffer gefluisterd tijdens de hete pot de volgende dag. Vandaag hadden ze somber voor zich uit zitten staren. Er was voor morgen zwaar weer voorspeld, maar de schipper had niet willen luisteren.

-Beaufort 8 is voor ons een peulenschil. De bemanning dacht dat hij haast had, hoewel hij zich ook door het weer bijna nooit van zijn plannen liet afbrengen.

-Het want staat er prima bij, kan niet stuk, had hij uitdagend geroepen. –Zo fris als een mooie meid in een zomerjurk.

– Het zeilgaren in je kleren, dat zit wel snor schipper, had er eentje geprobeerd, maar verder was hij niet gekomen. Hij had al een muilpeer te pakken. Opmerkingen over zijn uiterlijk vielen nooit in goede aarde. Op zee is dat trouwens sowieso nogal moeizaam.

-Grapjes maak ik wel, jullie kwijlen mee, begrepen. Zijn behaarde borst bolde als een zwart rubberen reddingsvlot onder de witte trui, zijn vuist had daarbij steun gevonden op het ruwe tafelblad midden in een plas omgevallen whisky met bitter lemon.  De knokkels waren wit weggetrokken en de tafel had een flinke helling gemaakt, terwijl ze toch nog in de thuishaven lagen. Hij was voor niemand bang, nooit een angstig moment gekend. Hoe neteliger hun positie werd, des te stoerder hij zich gedroeg. Hier leek geen zee te hoog te kunnen gaan. Ook niet wat zijn kledij betrof. Hoe benarder de positie, des te uitbundiger de outfit. Alsof hij naar het carnaval in Rio moest. Toch waren ze niet van plan zich zomaar gewonnen te geven.

-We harpoeneren die verklede walvis! Ze hadden een plan bedacht om het uitvaren te beletten. Ze zouden vannacht een ketting onder water bevestigen tussen wal en schip. Voor hen niet erg want dat was hun positie al jaren.

-Proost, op ons oud roest, riep de een.

-Verroest, houd je kop, niet zo luid, zo meteen hoort ie het nog met zijn dubbelzijdige schotelantennes, deed de ander. Proestend van het lachen werd de rest van de fles matroos gemaakt.

De dageraad greep met haar rozige vingers de kim beet als voorteken van een grimmige dag. Het waaide al flink. Boven de haven pakten de wolken zich samen, als voorbode van de zware storm die hen te wachten stond. De zeegod roerde met zijn drietand de zee flink om. Een dito deining veroorzaakte een waterballet op de havenpier. Er was geen danseres te bekennen, laat staan een omgevallen zeemeermin, toen de zware diesel begon te stampen. Normaal een vertrouwd en geruststellend geluid, maar nu hing er een benauwende sfeer. De borsten van het kleine boegbeeld trilden kortademig. De blote, natte maagd was aan veel gewend geraakt op open zee, bij het verjagen van angsten voor spoken en het stillen van heimwee, maar niet op het voeden van de gehele bemanning bij een eventuele schipbreuk. De kapitein had zijn zeeroverspak aangetrokken met gepluimde steek en een ooglap op het voorhoofd om slechts de helft van het gevaar te hoeven aanschouwen.

-Volle kracht vooruit, meisjes, schreeuwde hij met bulderende stem tegen de wind in. Het schip kwam plotseling omhoog uit de spattende golfslag en waande zich reeds midden op zee maar meteen daarna viel het teleurgesteld terug in haar bedlegering positie. Van de weeromstuit schoot de kapitein met zijn strot tegen het stuurwiel en kon de vloek –Wel alle vliegende vissen en fanaten, niet in zijn oorspronkelijke versie ten gehore brengen, slechts een zacht –Haten, werd vernomen door de matroos die het dichtste bijstond.

-Haaien?, dat denk ik niet kapitein. Probeert U het gewoon nog eens. De motor is zeker afgeslagen!, hetgeen inderdaad het geval was. De pepermolen werd opnieuw gestart en vakkundig in stelling gebracht.

-Stop hem in zijn reet, was nu de toepasbare kreet. En jawel. Het voorschip kwam overeind uit haar ochtendsluimering als een geoliede scheet en kwam los van de kade als een publieke vrouw van een niet betalende klant, snel, schichtig en schamper. De kapitein juichte en jodelde bij het prettige gevoel vrij te zijn, was vast van plan om nooit meer terug te komen en zong luidkeels:

-Weet jij wat een aap op zee doet?

Zich vlooien uit weemoed!

Een zeker schuren en een scheurend geluid ontging hem door het ronken van de motor, het huilen van de wind en zijn uitgelaten gezang:

-Weet jij wat een aap op zee doet?

Zich vlooien uit weemoed!

En dat is zo fijn en dat is zo fijn

En dat is zo fijn, een, twee, drie, vier, vijf…..

…floep.

Uitgezongen en klaargekomen met zijn toekomstvisioen, meende hij nu zijn eerste bevelen van de nieuwe dag te moeten gaan geven.

-Stuurman, open de bar en schenk alle hens als de donder een oorlam. Toen hij geen enthousiaste reactie vernam in de trant van : – Alleen als ie ijs en ijs koud is, keek hij verwonderd achter zich en bemerkte zijn zwaaiende bemanning op het achterschip dat nog aan de kade lag. Van woede rukte hij de ooglap van zijn hoofd en zag nu wat slechts voor de helft zichtbaar was: zijn doormidden gescheurde schip.

-Duizend teilen whisky nog aan toe, bittere lemons voor citroenen, een nieuw schipperslied werd terplekke gecomponeerd.

-Zatte apen, dronken vlooien, jullie snappen ook helemaal niets, zeewier dat jullie zijn. Die schuit kan me niet verdomme maar mijn diamanten wel, mijn hele smokkelcarrière is naar de knoppen! Ik kan weer gaan vissen!! Snel verkleedde hij zich als douanier en verging met man en muis voor de rede van Vlissingen, zingend:

-Glas kan geen diamanten bekrassen,

Vissen willen geen haken passen.

Matrozen drinken binnen en buiten,

Zeemeerminnen vragen geen duiten.

Vandaar hun naam. 1071 jn

 

U kunt hier een reactie plaatsen!