okt 4, 2013 - Casuistiek, Proza    No Comments

Het Huwelijk van de Dikke en de Dunne

Het Huwelijk van de Dikke en de Dunne

Er was eens een echtpaar dat tot nu toe geen kinderen had gekregen. Ze waren direct verliefd op elkaar geworden en hadden zich verloofd door naar elkaar te blijven staren.

– Jij bent zo rond als een tonnetje. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Ik moet overal naar toe lopen, jij kunt overal naar toe rollen, zei de lange, dunne man bewonderend met zijn lage stem in de krop.

– Je houdt me voor de gek. Zeg het maar, dat doen ze allemaal. Ze vinden me veel te dik, treuzelde ze met een pruillip terwijl ze aldoor wilde blijven lopen om maar af te kunnen vallen.

– Neen hoor, helemaal niet. Ik ben verliefd op je, baste hij overtuigend.

– Jongens houden van slank, kaatste ze terug. Ze stelde hem op de proef.

– Mijn moeder riep dikwijls dat ik wat dikker moest worden, dan kon ze des temeer van me houden.

– Wat een wijze vrouw!

– Hoe meer er van je is, hoe meer ik van je kan houden, zei ze. En dan kwam ze op me af als een reus die je op wil eten. Mijn moeder hield maar een beetje van me. Ik at me een bult op mijn maag en op mijn rug maar ik bleef zo mager als een lat, zweeg hij gelaten. Ze wilde hem over zijn bol aaien want ze vond hem aardig maar omdat hij zo lang was, moest ze op haar tenen gaan staan, daarbij floepte haar zwaartepunt uit haar kanten slipje met roesjes en strikjes.

– Help, mijn zwaartepunt, riep ze angstig, maar ze verloor haar evenwicht en rolde omver naar de kant van de weg.

– Wat doe je nou?, zei hij ongelovig.

– Elke keer als ik me uitstrek naar iets wat ik mooi of lekker vind, gebeurt me dit. Bah!, zei ze sip. Het zegt floep in me en op het zelfde moment lig ik op de grond. Ik word gestraft voor alles wat ik leuk vind. Zolang ik me niet beweeg gaat het goed, maar stokstijf zitten is meer iets voor jou.

– Inderdaad, ik kan uren zitten staren of peinzen. Ik ben dan met geen stok uit mijn luie stoel te slaan. Vooral als het binnen lekker warm is en buiten bibber koud.

– Misschien dat we elkaar kunnen helpen, peinsde ze.

– We vinden elkaar erg aardig, stelde hij voor hen samen vast. Dus dat zal best wel lukken, meende hij uit de grond van zijn hart. Laten we bruiloft vieren! Toen ze getrouwd waren, wilden ze graag kinderen, maar elke keer als ze met elkaar naar bed wilden gaan, was hij met geen stok uit zijn stoel te slaan en als zij zich naar hem uitstrekte, rolde ze uit bed. Op die manier kon je geen kinderen krijgen. Zij waren erg bedroefd. Ze hebben hun probleem toen voorgelegd aan de ooievaar op het dak omdat die net zulke dunne benen had als de man.

– Kinderen krijgen is niet moeilijk hoor. Ik doe al sinds jaar en dag de kikkerproef. Elk jaar als ik weer kikkers kan vangen in de sloot, dan komen er jonge ooievaartjes op het nest. Feilloos kan ik het voorspellen. Elk jaar weer opnieuw. Man, man, kom vlug, roep ik dan als ik de groene springers weer zie. Hij komt dan vlug aanhollen, komt op een been bij me staan en samen hebben we dan veel plezier met dat gekwaak in het kroos. Ik kan er maar niet genoeg van krijgen. Je hebt er wel een paar muizen en een olifant bij nodig.

– Hoe zo?

– De muizen om de restjes krooskruimels op te eten en de olifant om alles netjes schoon te spuiten. Ze spraken af dat de ooievaar een emmer groene kikkers zou meebrengen als ze samen naar bed zouden gaan. De emmer werd midden op het bed gezet en zij ging erop zitten. Op die manier rolde ze niet meer om en dat gespring van die kikkers tegen haar blote billen vond ze een heel prettig gevoel.

– Kom vlug man, de kikkers zijn er weer, riep ze nu opgewonden en strekte haar armen naar hem uit zonder haar zwaartepunt te voelen floepen. Maar haar man was met geen stok uit zijn luie stoel te slaan die ze buiten hadden neer gezet.

– Het is buiten zo koud, bibberde hij met klapperende kaken. Hij had al uren in zijn blootje zitten wachten op het grote moment.

– Ach arme man, troostte de vrouw, heb je het zo koud.

-Wel neen, hoe kom je erbij. Ik zit hier op hete kolen en ik ben met geen stok uit mijn luie stoel te slaan, kermde de man.

– Hete kolen, wat bedoel je toch?, vroeg de vrouw verbaasd. Die uitdrukking ken ik helemaal niet.

– Kolen, precies, zei de man. Hete kolen, rode hete kolen, mijn moeder bracht altijd hete rode kolen als het niet meer ging met mij.

– Zeg dat dan meteen, zei de vrouw. Nu begrijp ik het tenminste. En ze stapte met de al stevig vastzittende emmer uit bed en kookte al emmerend hete rode kolen en zette een maaltje ervan in bed en ging er met haar pot groene kikkers naast zitten. De man sloeg nu met zijn stok in de kool en zie, daar sprong het kind al tevoorschijn. Wat een vreugde! 903 jn.

U kunt hier een reactie plaatsen!