Kalverliefde

 

Kalverliefde
Posted on juli 21, 2015
Kalverliefde Jan Nuyten
Er klinkt muziek. Een jongen ratelt met een stuk hout langs de stangen van het hek, als de snaren van een cimbaal. Zij staat daar ineens. Ze kijkt naar me door de spijlen van het pas groen geschilderde ijzeren hek, dat rond de speelplaats van de jongensschool staat. Ze kijkt met grote opengesperde ogen en een lachende mond. Haar irissen zijn helder groen als van een kat. De kleur wordt versterkt door de glans van de bladeren van de paardenkastanjes, waaronder de jongens krijgertje en vlindernetje spelen na schooltijd. Haar witte ontblote tanden worden omkranst door vuurrode lippen. Rood, wit, groen is het palet aan kleuren dat zij mij aanbiedt als een kindermeisje dat haar jonger broertje van school komt halen. Een meisje met een wollen hoofddoek, met een lange broek onder haar rok tegen de kou. Gevlucht met haar ouders voor de dictatuur in haar land.
Haar gezicht heeft bolle wangen als van een pop en een hoog voorhoofd als van een godin. Haar donkere haren strijken zijdezacht langs mijn lippen, later, pas veel later. Verliefdheid, kalverliefde op het eerste gezicht. Een slot dat klikt en dicht valt van de kerker van hartstocht dat vrede en vruchtbaarheid buitensluit. Er wordt geen woord gesproken. In de geladen stilte knettert de sympathie over en weer als een elektriseermachine. Wat zien mensen niet meer als ze verliefd op elkaar worden? De liefde van dotters in een eerbiedige wei of tedere lissen aan de waterkant: -Pluk me toch, pluk me dan! Pluk me, aarzel niet!
-Jaren later op het schoolplein in de pauze van een bijeenkomst van de Kunstkring liep je samen in het gezelschap van giechelende meiden rondjes ter ontspanning en wat lichaamsbeweging. Je droeg een grof ribbelige witte trui, waar je huid scheef doorheen scheen. En verder een Schotse geruite plooirok en zwarte pumps. Je handen op je rug. Je bovenlichaam ontspannen heen en weer bewegend, wiegend onder mijn verholen blik. En weer dat stralende gezicht, de parelwitte, regelmatige tandenrij, de bolle wangen als hartjes, het smalle smoeltje met een eigenwijs kinnetje en daarachter een lenige polyglotte tong. Ogen, met de kracht van smaragd. Een huid als van vers gevallen sneeuw. Een hele dame al voor zo een jong ding. Het opvallende was de belangstelling die je voor me ten toon spreidde. Je zag dingen in mij die ik zelf niet zag. Maar je veronderstelde iets in mij aanwezig, dat in jouw blik zichtbaar was voor mij, wat tot jouw wereld behoorde en dat je op me legde. – ‘Mijn liefste,’ zei je later. Maar het was erger. Je projecteerde je portret in mijn ziel. Je brandde je beeld in mijn hart. Een merkteken, een schroeiplek als een veenbrand. Smoorverliefd, soms hartstochtelijk in lichte laaien staan. De ander enthousiast ontmoeten in het hart. De symbiose die dan een gevangenis wordt als de een de ander gulzig vastgrijpt als een prooi die door jaren van een gemis aan aandacht werd veroorzaakt. Het orale moment van het op willen vreten, het verslinden. En het verslonden willen worden, dat alles moet goed maken.
De geheimenis van deze aantrekkingskracht. Die verhouding die we hadden die geen andere levensvatbaarheid had dan te branden. We waren twee wassen kaarsen van liefde. De maatschappelijke consequenties worden hierop niet van toepassing verklaard want hulpverlening kan niet worden verstrekt als er geen hulpvraag is, dan een samenzwering van tekorten die zoekt naar een uitweg. Je doodt me met je ogen. Je slokt me op met je mond. Kussen is daardoor onmogelijk geworden. Je verteert me met je buik. Je sluit me op in je hart. We praatten met elkaar over onze toekomst. Maar is een menselijke relatie ontvankelijk onder dergelijke omstandigheden zonder een beetje vrijheid?
-Dat je juist nu weg moet gaan, zei ik zonder hoop. Ik wist dat je voorgoed uit mijn leven zou verdwijnen. We zijn aan elkaar ontsnapt door een tunnel van vooroordelen. De rollen zijn nu omgekeerd. Je bent allang geen vluchteling meer, je hebt jezelf teruggevonden en je angst overwonnen. Ik ben degene die vlucht voor de confrontatie met het verleden, de resten van onbegrip. De puber kijkt mij aan in de spiegel, vluchtend voor zijn gevoelens. Intense gevoelens door een samenloop van ongecontroleerde omstandigheden achter zich latend, onopgelost, onbeantwoord gebleven. Ja, wat ging er mis in deze kalverliefde die niet tot vaste relatie kon uitgroeien door een te grote heftigheid zonder remfunctie. De te smalle basis van de tekort schietende levenservaring. Twee pubers die praten als volwassenen. Te gretig en te gulzig als het eten erg lekker is waardoor je je gemakkelijk verslikt. Het geblindeerd uitzicht als er nog zo veel mogelijkheden ontwikkeld moeten worden. De vogel van de levenswijsheid glipte uit onze handen en keerde niet terug.
788 woorden

U kunt hier een reactie plaatsen!