De Tafel

Over een man die alles van tafel veegde

Er was eens een man die het aan de stok kreeg met zijn tafel. Zomaar ineens, van de ene dag op de andere, was de relatie verstoord. Als hij er aan wilde werken, kwamen de papieren gewoon niet meer goed te liggen. Zijn hand lag onhandig op het papier en stootte bij het schrijven voortdurend tegen een stapeltje boeken en paperassen. Als hij ze weer goed legde, dan stootte hij zijn kopje om en al zijn werk lag in een plas. Ik bedoel maar. Je zou denken dat het een onhandige oen was, of zo, maar dat was voor die tijd helemaal niet het geval, integendeel. Hij deed voortvarend de moeilijkste klussen in huis voor zijn lieve vrouw.

Neen, er was iets vreemds aan de hand. De tafel liet de man niet meer rustig aan haar zitten werken. Elke keer als hij iets te doen had, waar hij een tafel bij nodig had, dan merkte hij dat de tafel tegenwerkte.

In het begin had hij het nog niet zo in de gaten. Toen hij op een goede dag de trap op de tafel had gezet en het plafond wilde witten en hij met verf en al met een flinke smak op de grond terecht was gekomen, dacht hij eerst nog dat hij zelf de trap te dicht op de rand van het tafelblad had gezet. Maar even later wist hij dat dat niet zo was. Nu herinnerde hij zich juist dat hij heel precies, zoals altijd, de trap midden op de tafel had geplaatst. De tafel wilde kennelijk iets aan hem duidelijk maken. Ineens, pardoes, voor dat hij het wist.

Het kwam er op neer dat de tafel niets meer van hem kon velen. Alles wat hij erop zette belandde uiteindelijk op de grond. Alle werkjes waar hij de tafel bij nodig had, mislukten. De krant lezen was onmogelijk, omdat hij de letters steeds dubbel zag omdat de tafel trilde.

Toen de man dacht door te hebben dat zijn tafel hem dwars zat, werd hij kwaad en stak haar met zijn zakmesje en schopte tegen haar poten. Maar daar kunnen tafels wel tegen.

De man die Teus heette, dacht de tafel te verkopen en plaatste een advertentie in het plaatselijke suffertje. Maar dat bleek nog niet zo eenvoudig, want hij was gehecht aan zijn mooie tafel, die het echtpaar van zijn schoonvader bij het trouwen had meegekregen. Misschien dat de tafel wraak nam, omdat zijn vrouw alle stoelen die erbij hoorden, had verkocht. Ze vond buitenlandse rieten stoelen veel smaakvoller.

Maar mogelijk zal hij wel niet zo zijn best hebben gedaan, de schoonvader had nogal invloed op hem gehad. Er was ook steeds wat tussengekomen als er wel een geschikte koper zich gemeld had. Die dan plotseling stierf als de koop bijna gesloten was, of zo, weet je wel. Een soort magisch realisme, alsof de duivel ermee speelde.

De tafel wilde trouw als een hond bij hem blijven en hem iets aan zijn verstand  brengen. Hij redeneerde als volgt, want de man was academisch gevormd en hij kon dus heel goed nadenken. Daar had hij voor doorgeleerd. Bovendien moest hij veel nadenken in zijn werk.

– De tafel wil niet bij me vandaan, maar ze wil ook geen dienst meer doen. Ze dwingt me over haar na te denken en daardoor ook over mezelf. Want wie gaat denken komt vanzelf bij zichzelf uit. Wat doe ik allemaal niet met mijn tafel? Van alles en nog wat. Ik laad alles wat ik niet kan dragen op haar schouders. Mijn boeken en paperassen, mijn eten en drinken. Ik gebruik haar voor klussen. Ja, maar daar dient een tafel toch ook voor. Ik zal de tafel meer eens een tijdje rust gunnen, misschien is ze wel overwerkt.

En hij schoof de tafel in een hoek en gebruikte haar niet meer. Ze stond helemaal leeg, zelfs zonder tafellaken of een vaas met bloemen. – Rust nou maar lekker uit, sprak Teus vriendelijk. – Kom maar even helemaal weer bij je positieven. En hij ging naar bed. Maar nu klonk er midden in de nacht een groot kabaal. Alsof er wel honderd ruiters op paarden in de huiskamer hun rijoefeningen hielden. Toen de man geschrokken en verontrust beneden kwam in het holst van de nacht, stond de tafel daar nog steeds. Er was niemand in de kamer. Toch moest het de tafel wel zijn geweest. – Wat bezielt jou toch?, sprak hij tegen de tafel, boos en kriegel. Hij gaapte slaapdronken en ging weer naar bed. – Ik zal het toch niet gedroomd hebben?, zuchtte hij en sliep weer in.

Hij droomde dat hij met vakantie was in een zonnig land en zich overgaf aan de geneugten van ontspanning, plezier en vrolijkheid. Hij zat op een terras en wilde zijn cocktail op de tafel naast hem zetten. Maar, oh schrik, daar stond weer zijn tafel, net zo als bij hem thuis. Maar nu, terwijl hij het glas wilde neerzetten, schoof de tafel onder zijn hand vandaan. En dat herhaalde zich zo een paar keer. Totdat de man van een slapende arm wakker werd. Hij had er bovenop gelegen en klemde daardoor de bloedvaten af. – Een dode arm als bij een rivier, dacht de man. Zou een rivier ook pijn voelen als er een arm wordt afgesloten? Och, houdt toch op, mallerd, sprak hij tegen zichzelf en vermande zich. – Ik ben gek aan het worden. Dromen zijn bedrog. En wederom sliep hij in. Nu droomde hij dat hij zelf tafelpoten had gekregen en dat hij krom moest gaan staan als een tafel. Er werden alsmaar meer boeken en spullen op hem getast totdat hij er onder bezweek en door zijn poten begon te zakken. Opnieuw schoot hij wakker maar nu met een schietende pijn in zijn rug. Zijn oude kwaal. Hij ging overeind zitten en masseerde de zere plek.

– Ik maak me echt te druk, sprak hij. Die tafel wordt een obsessie. Nu is het uit met die flauwekul. Ik ga weer gewoon doen.  De volgende morgen zette hij de tafel terug in de kamer en toog aan het werk. De dromen bleven weg, gelukkig. En het werk vlotte weer. Er was wel een verschil. Hij ontzag zijn tafel. Hij zette er alleen op wat hij nodig had voor dat ogenblik. Hij ruimde de tafel netjes op. Hij dacht aan zijn tafel en werd er goede maatjes mee. Hij praatte er zelfs tegen en vroeg elke dag toestemming om aan haar te mogen zitten werken.

Doordat hij dat deed, dacht hij ook langer na over andere dingen dan over zijn werk. Hij nam meer de tijd en de ruimte. Daardoor bleef de tafel leeg en ontlastte hij zijn hoofd. Hij kreeg minder hoofdpijn en rugpijn. Hij had helemaal geen last meer van zijn lichamelijke kwaaltjes. Alles ging goed. Totdat op een dag de deurwaarder op de stoep stond met een dwangbevel. Hij moest zijn huis verkopen om zijn schulden te kunnen vereffenen.  Of hij moest weer harder gaan werken. Dat laatste was onmogelijk. Dan zou het weer aan de stok krijgen met zijn tafel. Hij werd zo kwaad dat hij met zijn vuist op tafel sloeg en riep: – Daar, nou krijg je op je donder. En hij sloeg met zijn vuist zo de hele lange zijrand van de tafel af. De tafel kraakte en het huis daverde ervan. Zijn vrouw…de buren…

De volgende dag lijmde hij bedeesd de rand er weer netjes aan en zei: – Een noodverband. Het komt wel weer goed. Maar wat moet ik nou? Ik sta met mijn rug tegen de muur. Ik moet werken anders ga ik dood. En hij verviel weer zijn oude gedrag en bedolf  zijn tafel onder de zwaarste paperassen. Hij bleef aan het werk de hele dag en de avond en een groot stuk van de nacht om toch maar zijn schulden te kunnen afbetalen. Relaxen was er niet meer bij maar dat pikte de tafel niet en zorgde ervoor dat er allerlei fouten en onnauwkeurigheden in zijn werk slopen waardoor het werd afgekeurd. De tafel had een verkeerde uitstraling.

Hij werd bij zijn werkgever ontboden en bij de bank, en bij de rechtbank en overal veegde hij alles van tafel waar ze maar met aanmerkingen over de kwaliteit van zijn werk begonnen. Hij beweerde dat hij zijn uiterste, stinkende best deed en tot diep in de nacht zat te werken.

– Maar misschien is dat wel het probleem, zei de bankdirecteur die over de hypotheek van zijn huis ging. – U werkt te hard, U moet zich misschien wat ontspannen.

– Als ik me ontspan, zie ik mijn tafel voor me. Neen, ik moet juist aan de slag blijven.

– Misschien dat iemand U kan helpen bij Uw werk, Uw vrouw misschien wel?

– Zoals U weet heb ik een goede vrouw en die doet al genoeg. Voor die flauwe raadgevingen heb ik geen tijd. Bovendien, de vrouw in de buurt, dat leidt maar af van mijn werk. Ik wil ook wel eens klaar zijn daarmee natuurlijk.

– Een vrouw kan Uw dag verlichten en U gezelschap en wat afleiding bieden.

– Daar heb je het nou weer. Ontspanning en al dat meer. Ik werk om te werken. Dat is een goede zaak.

– Maar waarom werkt U dan ?, vroeg de bankdirecteur nieuwsgierig. En waarom zo hard en voor wie?

– Dat moet U vragen, aan mij, zeg. Voor het nut en het goede doel natuurlijk, voor wat anders!?

– Maar wat doet U dan nog meer, anders dan werken?

– Werken is mijn hobby.

– Tot de dood erop volgt? Ontspant U zich toch een beetje. U bent wel erg serieus.

– Ik zou niet weten wat ik anders moest doen. Vrije tijd is afschuwelijk als je niet kunt werken.

– Maar U heeft toch wel eens behoefte aan ontspanning?

– Ontspanning? Neen, daar heb ik geen enkele behoefte aan. Hoe komt U daarbij!? U als financieel deskundige en adviseur moet dat toch weten. Ik sta verbaasd. Ontspanning is er voor de minder getalenteerde. Voor degene die niet kan werken, die zit voor de teevee. Dat zei mijn leraar Nederlands lang geleden al op de middelbare school.

Het werd een lang gesprek. Haast wel therapeutisch te noemen, maar de man hield voet bij stuk. Hij ging liever dood, dan met werken te stoppen. – Bovendien, redeneerde hij. Als ik dood ben, zie ik wel weer. Dan kan ik me nog genoeg ontspannen.

Er zijn mensen die echt geloven dat de hemel bestaat. Juist die zijn onverbeterlijk. De man die niet wilde luisteren naar zijn eigen tafel, laat staan naar zijn vrouw, werd begraven in een kist, vervaardigd uit het hout van zijn tafel. Er was geen geld meer voor een nieuwe kist. De man heeft nooit visioenen van de dood gehad. 1803 jn

U kunt hier een reactie plaatsen!