sep 13, 2013 - Proza    No Comments

DeTreinreis

De Treinreis

Hij had een lange treinreis achter de rug en was op weg naar huis. Het begon te schemeren. De avond zou snel vallen bij dit heldere weer. De ruiten veranderden in donkere spiegels, waarin de wereld van buiten langzaam maar zeker werd verdrongen door de weerkaatste taferelen inde treincoupés. Zijn gedachten werden van heel ver teruggeroepen, nu hij het landschap nog maar moeizaam kon waarnemen. Zijn aandacht werd automatisch gefocust op het glazen beeld van een meisje dat in de aangrenzende coupé moest zitten. Even leek het alsof ze als een engel van buiten uit het niets te voorschijn kwam. Als in een droom wilde hij haar groeten,want hij meende haar te herkennen. Door het geluid van zijn eigen stem kwam hij tot de werkelijkheid, schrok hij op uit die schijnwereld. Hij kon haar nu duidelijk onderscheiden. Ze leek op iemand die hij kende.

De trein minderde vaart en stopte. Even later stapte een oudere vrouw bij het meisje in de coupe binnen. De deur bleef half open staan door de haast die zij had en liet hem getuige zijn van hun ontmoeting. Het meisje las een boek, waaruit ze van tijd tot tijd opkeek naar buiten de donkere avond in of naar haar nieuwe medereizigster tegenover haar, die onzichtbaar bleef voor de man in de coupe ernaast. Zij zat met opgetrokken voeten behaaglijk weggedoken in de rode pluche van de eerste klas coupe, waaruit  zwarte kousen over haar knieën naar voren kropen, waar de huid als babywangen doorheen scheen. Verdiept in haar lectuur, antwoordde ze automatisch op de vragen die haar gesteld werden. “Is dit de trein naar Rotterdam?” “Ja, klonk het nauwelijks verstaanbaar. “Weet U het zeker, juffrouw?”, drong de oudere vrouw aan. “Ja”, het hoofd nauwelijks bewegend. “De voorste gedeelte gaat naar Rotterdam”, sprekend met een buitenlands accent. “Gelukkig maar, hè,hè, wat heb ik me moeten haasten!” Ze ontdeed zich vlug van een beige regenjas,  waarvan de ceintuur tegen tijdsverlies achterop was vastgegespt. Ze was lang en mager, maakte hij op uit haar enkel, die even zichtbaar was, toen ze met een plof ging zitten. Buitenwas het net gaan vriezen en mengde de ondergaande zon regenboogtinten in de avondlucht aan de horizon, waar het geluk te vinden is.

Ze reden weer.”Wilt U wel geloven dat ik helemaal zit te trillen”, probeerde ze weer, terwijl ze haar breiwerk zorgvuldig in stelling bracht, ter verdediging van het prille contact, dat ze in korte tijd tot stand had gebracht. Voor het eerst zag de man het vierkante gezicht van het meisje duidelijk in het gelige schijnsel van de plafonnière waarin een verstoorde blik de donkere schoonheid van haar ogen verhevigde. Een rilling voer door hem heen. De huiselijke sfeer van gezelligheid die in de coupe tot nu toe had gehangen, was plotseling verdwenen. Het meisje trok haar benen onder zich vandaan en plantte ze met een ferme zwaai in haar platte schoenen die voor haar waren blijven staan. Rode kringen stonden op haar schenen in bloei. “Ik ga naar mijn dochter”, zei de oudere vrouw, een beetje geschrokken van de felle bewegingen tegenover haar. “Oh ja?”, zei het meisje, haar zwarte haren opzij duwend. “Ja, maar ik ken haar niet. Nog niet”, voegde ze er zachtjes aan toe.

. “Ja, maar ik ken haar niet. Nog niet”, voegde ze er zachtjes aan toe. “Maar het is Uw dochter!”, antwoordde het meisje het niet begrijpend. “Ik ken haar van de foto. Uit de krant”, klonk het nu weer iets zekerder. “Wie ist das meugelijk, ene Mutter tie haar Tochter nicht kent!”, reageerde ze ongelovig, haar accent verradend door de emotie. “Ik was verongelukt”, en toen volgde een heel verhaal over een buitenlandse reis, een auto-ongeluk, eindigend in coma en over een ongehuwde moeder die een kindje baarde tijdens het coma. Een kindje dat werd afgestaan. Toen de moeder bijkwam, was ze haar kind kwijt en haar geheugen. Het duurde te lang voordat  ze zich alles weer herinnerde. Het kindje was verdwenen. Ze wist dat ze een kind had, maar ze kende het niet. Jaren gingen voorbij. Totdat ze in de krant een foto zag van een meisje dat haar moeder zocht. Intuïtief wist ze dat het haar kind was.

Het mooie meisje was helemaal rood geworden in haar gezicht. Het boek viel van haar schoot. “Maar U bent mijn moeder!!”, riep het meisje opgewonden uit. “U bent het!”, en ze wilde de oudere vrouw omhelzen. Maar deze hield haar verbaasd tegen. “Hoe kan dat nou?!”, klonk het met een mengeling van nieuwsgierigheid en ook van ontroering. En toen volgde een verhaal over een wees die hoorde dat  haar moeder in coma had gelegen en haar moeten afstaan. Zij was op haar beurt op weg naar het geluk via een uitnodiging van de adoptieraad die haar hadden verzekerd haar moeder te hebben opgespoord in Rotterdam. De man huiverde. Hij trok zijn winterjas dichter om zich heen. Een onbehaaglijk gevoel bekroop hem en maakte hem kil tot in zijn botten. Onraad.

Hij kon niet meer stil blijven zitten. Hij moest het gezicht van de oudere vrouw. Hij boog zich voorover en kon het weerkaatste profiel in het zwarte raam zien van zijn vroegere minnares, de vrouw van een collega. Hij was nog jong geweest en had al meerdere avontuurtjes beleefd maar deze keer ging er iets mis. De vrijblijvendheid werd een verplichting. Hij kon er niet meer van los komen en voor hij wist wat er gebeurde, eiste zij dat hij met haar zou trouwen omdat ze zwanger was. “Ik wil een kind van je. Mijn man kan het niet!”, had ze beslist. Het kind was geen probleem geweest, maar met trouwen ging zijn voorstellingsvermogen te boven. “Ben je nou helemaal gek geworden!”, had hij tenslotte uitgeroepen als aanzet om met haar tot een wederzijdse afspraak te kunnen komen. Zij had niet willen luisteren. “Deze kans laat ik me niet ontglippen. Ik ben zwanger en ik blijf zwanger en jij bent de vader!”. “Bewijs dat dan maar!”, antwoordde hij meer dan boos over haar onwil tot overleg, dan over de feitelijke gang van zaken. Een kind hebben leek hem wel leuk. Maar niet om met haar getrouwd te zijn.

Zij achtervolgde hem dag en nacht met briefjes, telefoontjes en plotselinge ontmoetingen en hij was gedwongen geweest van het toneel te verdwijnen, wilde hij een schandaal op zijn werk vermijden. Zij ging met vakantie samen met haar man en sindsdien had hij haar niet meer terug gezien. Dat het meisje zijn dochter was, stond voor hem vast. Dezelfde donkere lokken  en ogen, het vierkante gezicht. Hij nam zich voor om deze keer niet van het toneel te verdwijnen, maar stand te houden. De gelijkenis dwong hem daar gewoon toe. “Ik kan mijn eigen beeld toch niet verloochenen”, stelde hij voor zichzelf vast. Nu was er meer te verliezen dan zijn rust. Zijn hele leven stond op het spel. Vrouwen waren altijd heel aantrekkelijk voor hem geweest. Een vlot contact, een vriendschappelijke relatie, meestal eindigend in bed, letterlijk en figuurlijk. Voor een poosje wel aardig maar al vrij snel vervelend of zelfs benauwend als er niet snel een eind aan kwam. Hij werkte op een reclamebureau en trof vele mensen onder allerlei omstandigheden. Er zat veel vaart in zijn oppervlakkig leventje.

“Hebt U een vuurtje voor me?”,vroeg de oudere vrouw plotseling bij hem binnenvallend met een sigaret reeds in de aanslag. Geschrokken deed hij een poging haar van dienst te zijn maar de aansteker beefde zo dat zij zijn hand moest vasthouden. “Anna, ben jij het?”, dacht hij haar voor te zijn maar hij kwam bedrogen uit. “Eindelijk heb ik je te grazen mannetje! Dit is het einde van je romantische leventje!”, riep zij opgewonden terwijl ze pal voor hem bleef staan, alsof hij weg had kunnen vluchten. “Maar Anna, luister nou toch eens”,probeerde hij de regie een beetje in handen te krijgen. “We kunnen toch praten”, klonk het weinig overtuigend. “Niks praten, antwoorden moet ik hebben!”, potig met de handen in haar zij, maakte ze een vastbesloten indruk. “Je hebt nooit meer wat van je laten horen, rotzak! Ik heb genoeg meegemaakt. Het moet nou maar eens afgelopen zijn!” Plotseling barstte ze in snikken uit en liet zich op de bank vallen. De sigaret viel op de grond, automatisch raapte hij die op, verbaasd over zijn eigen slaafsheid. “Hier is een zakdoek”, zei hij hulpeloos. “Kom eerst even tot je zelf”. “Tot me zelf komen!?”, schreeuwde ze. “Ik ben al lang genoeg bij mezelf geweest!”. En een poosje was ze niet tot rede te brengen en ze snikte het uit. “Je had me toch kunnen opzoeken?”, het speeksel liep uit haar mond. “Waarom heb je dat niet gedaan?”, de tranen stroomden over haar wangen. “Je bent gewoon weggevlucht!”, haar hele gezicht was opgezwollen. Hij was volledig uit het veld geslagen, maar niet verslagen. Hij kon gewoon niet tegen haar op, net als toen. Hij had geen verweer. Vluchten kon hij niet meer, wilde hij ook niet. Er moest toch een redelijk gesprek mogelijk zijn, ook al pasten ze niet bij elkaar? Jn wrdn: 1497                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           

U kunt hier een reactie plaatsen!