Vlieger

Vlieger 2

Als een vlieger hang ik gevangen aan het vliegertouw van de jongen die mij oplaat.

Op mijn hangplek tussen hemel en aarde neig ik naar geen van beiden; ik ontwijk ze allebei door voort te gaan met trekken en snukken.

Ik beweeg voortdurend om op mijn plaats te blijven, cirkels verdraaiend tot achtjes van een lemniscaat, me van starheid bevrijdend met woeste rukken om de tijd te dwingen tot een langere eeuwigheid om soms te mogen komen tot enig inzicht omtrent mijn bestemming.

Ik heb daarbij hulp nodig van de opwaarts stuwende kracht van de wind om niet neer te storten zonder oppervlakte spanning, want zelf kan ik het niet.

Ik zweef in labiel evenwicht zonder tot iets te behoren; zolang het jongetje mijn levenslijn verlengt is mijn toekomst ongewis.

Ik laat me leiden door dan weer even neer te storten, daarna weer verder te vluchten net op tijd.

Ik vrees voor de diepte; ik haat mijn oppervlakkigheden. Ik verblijf tussen diepzinnig en te hoog gegrepen en schiet op en neer met mijn staart, heen en weer schud ik met mijn kop. Zo ontken ik een zekere dood van gekraakte latjes en gepropt papier en bevestig mijn houtje touwtje leven in dit luchtkasteel.            208 wrdn.

Jan Nuyten (pseudoniem)

U kunt hier een reactie plaatsen!