En dan nu aan het werk onder het Motto: “Zonder Structuur Diagnose geen Therapeutische Behandeling en

Is er van een oplossing geen spoor, zonder probleemstelling komt de toekomst niet door”.

Onderzoek uw werk en persoonlijke omstandigheden

 

 

Gezondheid en welbevinden

Zelden

Soms

Regel-

matig

Vaak

Ik voel me lichamelijk gezond

 

 

 

 

Ik kan mij emotioneel goed uiten

 

 

 

 

Over datgene dat me bezig houdt kan ik praten

 

 

 

 

Ik slaap goed zonder te piekeren

 

 

 

 

Uitgerust ga ik ’s ochtends en na het weekend naar mijn

werk

 

 

 

 

Ik heb elke dag voldoende energie voor mijn werk

 

 

 

 

Mijn werk geeft me energie en maakt dat ik me gezond en fit voel

 

 

 

 

Ik eet gezond en regelmatig ( zowel ontbijt, lunch als avondeten)

 

 

 

 

 

Persoonlijkheid

Zelden

Soms

Regel-

matig

Vaak

Ik doe mijn werk rustig en ontspannen

 

 

 

 

Tegen de dagelijkse werkdruk ben ik opgewassen

 

 

 

 

Het is voor mij gemakkelijk om werk te laten liggen

 

 

 

 

Als ik ’s avonds thuiskom, denk ik niet meer aan mijn werk

 

 

 

 

Op mijn werk kan ik mij kwetsbaar opstellen

 

 

 

 

Ik blijf rustig ook wanneer ik mij erger aan anderen of aan

zaken die tegenzitten

 

 

 

 

Ik leg me makkelijk neer bij besluiten van bovenaf

(politiek, overheid)

 

 

 

 

Ik ben goed in staat om met veranderingen (op mijn werk

en elders) om te gaan

 

 

 

 

 

Persoonlijke omstandigheden

Zelden

Soms

Regel-

matig

Vaak

Mijn zorgen kan ik delen met mijn partner en/of dierbaren

 

 

 

 

Ik krijg begrip van mijn omgeving

 

 

 

 

Ik neem voldoende tijd voor mijn partner en/of dierbaren

 

 

 

 

Mijn partner en/of dierbaren nemen voldoende tijd voor mij

 

 

 

 

Naast mijn werk heb ik voldoende energie en aandacht

over voor mijn partner en/of dierbaren

 

 

 

 

Ik ben tevreden over mijn sociale contacten

 

 

 

 

Aan het einde van een (drukke) werkdag kan ik me

ontspannen zonder alcohol te drinken

 

 

 

 

Zelfbeoordelingsschaal voor depressie

 

 

Zelden of nooit

Soms

Vaak

Bijna altijd of altijd

1.       Ik voel me somber en neerslachtig

 

 

 

 

2.       ’s Morgens voel ik mij het best

 

 

 

 

3.       Ik heb huilbuien of zou wel willen huilen

 

 

 

 

4.       Ik slaap slecht

 

 

 

 

5.       Ik eet net zoveel als vroeger

 

 

 

 

6.       Ik heb net zoveel plezier in het sexuele

                als vroeger

 

 

 

 

7.       Ik heb het gevoel dat ik afval in gewicht

 

 

 

 

8.       Ik heb last van een trage stoelgang

 

 

 

 

9.       Ik heb last van hartkloppingen

 

 

 

 

10.   Ik ben moe van niets

 

 

 

 

11.    Mijn geest is nog net zo helder als

                vroeger

 

 

 

 

12.    Ik heb het gevoel dat alles me even

                gemakkelijk afgaat als vroeger

 

 

 

 

13.   Ik voel me gejaagd en kan niet stilzitten

 

 

 

 

14.    Ik zie de toekomst met vertrouwen

                tegemoet

 

 

 

 

15.   Ik ben meer prikkelbaar dan vroeger

 

 

 

 

16.    Ik vind het gemakkelijk om beslissingen

                te nemen

 

 

 

 

17.   Ik heb het gevoel dat ik nuttig en nodig ben

 

 

 

 

18.   Mijn leven is aardig gevuld

 

 

 

 

19.    Ik heb het gevoel dat men beter af zou

                zijn als ik dood was

 

 

 

 

20.    Ik heb net zoveel plezier in dingen als

                vroeger                  

 

 

 

 

ASSERTIVITEITSLIJST

De vragen gaarne 2 keer invullen volgens onderstaande sleutel:

Hoeveel moeite kost U deze aktie?

0 = geen moeite, 1 = weinig moeite, 2 = enige moeite

3 = matig veel moeite, 4 = veel moeite, 5 = zeer veel moeite.

Vermijdt U deze situatie geeft U aan met de getallen 0 -5.

0 = nooit, 1 = enigszins, 2 = tamelijk vaak, 3 = vaak,

4 = bijna altijd, 5 = altijd.

 

Hoeveel moeite

Vermijdt U deze situatie

1.       Onbekende mensen afpoeieren aan de deur

 

 

2.       Iets dat U net gekocht hebt en

       waarmee iets niet in orde is

              terugbrengen naar de winkel

 

 

 

 

3.       Een opgedrongen artikel in de

       winkel op de gepaste manier

              weigeren.

 

 

 

 

4.       Zeggen dat je eerder aan de

        beurt was dan degene die

               tracht voor te gaan.

 

 

 

 

5.       Het binnenkomen in een kamer

        vol mensen, waarvan U maar

               enkele mensen kent.

 

 

 

 

6.       Toegeven dat je iets niet goed

               gemaakt of bedacht hebt.

 

 

 

B.

Hoeveel moeite

Vermijdt U deze

situatie

1.       Laten merken dat je iemand

               aardig vindt

 

 

2.       Kennis maken met iemand omdat

               die jou sympathiek lijkt.

 

 

3.       Hulp aan iemand aanbieden.

 

 

4.       Hulp aan iemand vragen.

 

 

5.       Duidelijk laten merken dat je

               het prettig vindt een kompli-

               mentje te krijgen.

 

 

C. Kunt U boosheid uiten:

 

 

1.       Tegen iemand die U niet of nauwelijks

               kent  (b.v. de postbode, die steeds

               de post v.d. buren bij U in de bus

               duwt).

 

 

2.       Tegen vrienden.

 

 

3.       Tegen familieleden of gezinsleden.

 

 

4.       Tegen “hoger” geplaatste personen.

 

 

5.       Tegen mensen die tegen U opzien.

 

 

6.       Als vriend of kennis terecht boos op

        U is Uw verontschuldigingen aanbieden

               zonder je fout ook weer te overdrijven.

 

 

7.       Als familie of gezinslid terecht boos

        op U is Uw verontschuldigingen aabie-

               den zonder je fout ook weer te over-

               drijven.

 

 

8.       Als iemand die “boven U staat” terecht

               boos op U is verontschuldigingen aan-

               bieden zonder je fout te overdrijven.

 

 

D. 

 

 

     Als u boos wordt en dit laat blijken

     Gooit U er dan teveel uit zo ja dan:

     Kunt U dit enigszins terugnemen

     zonder alles in te slikken van Uw

     Boosheid.

 

 

E.

 

 

1.       Verblijven in een vertrek waar twee

        mensen  met elkaar vechten die U niet

               of nauwelijks kent.

 

 

2.       Als iemand van gelijke lichaamskracht

        met U begint te vechten, vecht U dan

               terug.

 

 

3.       Stoeien met kinderen.

 

 

Hoeveel moeite geeft U aan als U de opdracht zou krijgen met de getallen 0-5.

DRAAGLAST – DRAAGKRACHT VERHOUDING

Draaglast

Ja

Nee

Heeft u teveel werk ( werk nooit af) en/of hoog werktempo?

 

 

Heeft u (te) veel verantwoordelijkheden?

 

 

Zijn er conflicten bij u op het werk?

 

 

Heeft zich het afgelopen jaar een ingrijpende verandering voorgedaan in

uw  werk ( verandering van functie, nieuwe leidinggevende e.d)

 

 

Wordt u vaak gestoord voor tussendoor-klussen?

 

 

Werkt u veel met deadlines, haastklussen?

 

 

Krijgt u vaak tegenstrijdige opdrachten?

 

 

Heeft u onregelmatige werktijden?

 

 

Elke ‘ja’ verhoogt uw draaglast

Telt uw mening mee in uw organisatie

 

 

Krijgt u voldoende ondersteuning van uw directe chef en/of collega’s?

 

 

Krijgt u voldoende waardering voor uw werk?

 

 

Bestaat er duidelijkheid over uw taken en verantwoordelijkheden?

 

 

Is uw baan in de toekomst zeker?

 

 

Kunt u uw werk voldoende zelf organiseren en indelen?

 

 

Heeft u een prettige werkplek (meubilair, apparatuur, geluid e.d.)?

 

 

Elke ‘nee’ verhoogt uw draaglast

Draagkracht

Slaat u vaak een pauze over op het werk?

 

 

Maakt u regelmatig overuren?

 

 

Heeft u ongezonde eetgewoonten: roken, veel drinken?

 

 

Bent u vaak gehaast?

 

 

Moet u veel van uzelf?

 

 

Zegt u vaak ‘ja’, terwijl u ‘nee’ had willen zeggen?

 

 

Moet u altijd iets van uzelf gaan doen?

 

 

Vindt u het moeilijk om steun te vragen?

 

 

Heeft u vaak het gevoel geen controle te hebben over de situatie?

 

 

Hoe meer ‘ja’s’, hoe kleiner uw draagkracht

 

 

Eet u vaak gezond?

 

 

Slaapt u meestal goed?

 

 

Sport u regelmatig?

 

 

Kunt u (voldoende) genieten van dingen in het leven?

 

 

Bent u tevreden over u zelf?

 

 

Weet u wat belangrijk is in uw leven?

 

 

Elke ‘nee’ betekent een vermindering van uw draagkracht

 

Anamnesevragen Homeopathie:

GENERALS

1.   Hoe is het in het algemeen met uw energie gesteld, hoe was dat vroeger, hoe is die nu?

2.          Op welk moment van de 24 uur voelt u zich het minst fit? Krijgt u soms   de “klap met de hamer” in de loop van de dag, wanneer?

3.                   Sommige mensen zijn kouwelijk, anderen hebben altijd voldoende
lichaamswarmte, hoe is dat bij u ? In bed maakt je lichaam zelf warmte, krijgt u het hierdoor wel eens te warm, hoe lost u dit op?

4.                   Transpireert u gemakkelijk, welke delen van uw lichaam transpireren het meest of het gemakkelijkst, hoe reageert u als u gaat transpireren, wat is de hoe­ danigheid van het zweet, wordt de huid er vet van, hoe is de geur, de kleur, transpireert u in de slaap?

5.                   Wat voor soort kleding draagt u graag, behoefte aan warme kleding of juist luchtig, bent u gevoelig voor de druk van de kleding, welke lichaamsdelen?

6.                   Hoe verdraagt u kamerwarmte, stralingswarmte van een kachel of open haard, centrale verwarming, een warm bad of douche, sauna?

7.                   Hoe verdraagt u tocht, airconditioning, afkoelen door zwemmen of natregenen, hoe vaak vat u kou, in welk seizoen?

8.                   Heeft u veel behoefte aan frisse lucht, hoe reageert u als u een hele dag binnen moet blijven, slaapt u met open raam?

9.                   Hoe reageert u op de wisseling van de seizoenen?

10.            Welk klimaat verkiest u, waar zou u het liefst op vakantie gaan, of juist niet, krijgt u wellicht klachten in een ander klimaat? Zeelucht? Bergen?

11.            Bent u gevoelig voor weersomstandigheden, hoe reageert uw gestel op warm weer, koud weer, vochtig weer, droog weer, mist, verblijf in de zon, wind? Maakt het verschil uit welke richting de wind komt ?

12.            Bent u gevoelig voor weersveranderingen, voelt u van tevoren aankomen wanneer het weer omslaat? Hoe reageert uw gestel bijv. als er storm op komst is of onweer of als er sneeuw in de lucht zit of als de dooi in aantocht is?


 

13.           Heeft u een voorkeur voor een bepaalde lichaamshouding, weet u waarom? Of heeft u een afkeer van bepaalde houdingen, hoe reageert u bijv. op een tijd staan, knielen, bukken, liggen, rechter- of linker zijligging, liggen op de buik?

14.           Hoeveel lichaamsbeweging heeft u nodig om u plezierig .te voelen, welke sport(en) beoefent u? Hoe is uw uithoudingsvermogen?

15.           Bent u soms zeeziek, wagenziek, ziek in een vliegtuig?

16.           Als u een wond oploopt, na hoeveel tijd houdt de bloeding op en in hoeveel tijd is de wond genezen?

17.           Bent u dikker geworden of vermagerd de laatste tijd en waarom ?

VOEDING

18.            Hoe staat het met de eetlust, welke tijden van de dag heeft u trek, ook ’s nachts? Hoe reageert uw gestel als u een maaltijd moet uitstellen of overslaan? Neemt u reacties waar in uw gestel voor, tijdens of na de maaltijd?

19.            Wat eet u graag? Zijn er dingen waar u een uitgesproken voorkeur voor heeft of waar u een sterke behoefte aan heeft? Waar heeft u een sterke afkeer van? (zoet, zuur, zout, gekruid, bitter) (vlees, vis, kaas, ei, vette zaken, gebak) (warm eten, brood, fruit, rauwkost, soep). Bent u een kieskeurige eter?

20.            Zijn er voedingsmiddelen die u slecht verdraagt?

21.            Bent u dorstig, hoeveel en wat drinkt u op een dag? Hoe gebruikt u en verdraagt u bier, wijn, sterke drank, koffie, thee, kruidenthee, melk, azijn?

SLAAP

22.                 Hoe slaapt u, inslapen, doorslapen, zijn er bepaalde tijden dat u wakker wordt?
Hoe lang blijft u dan slapeloos?

23.                 In welke houding slaapt u? Is dat altijd uw slaaphouding geweest? Is er een
bepaalde reden voor deze houding?

24.            Zijn er bepaalde activiteiten in uw slaap bijv. praten, lachen, huilen, gillen,knarsetanden, kwijlen, ogen open, mond open, slaapwandelen, woelen, smakken?

25.            Droomt u? Herinnert u zich dromen? Over welke onderwerpen droomt   u?

26.            Hoe laat wordt u wakker? Hoe voelt u zich bij het wakker worden en hoe na het opstaan? Zijn er momenten van slaperigheid overdag?


SEKS

27.            Hoe is uw sexuele energie, doen zich ongemakken of stoornissen voor in verband met uw sexuele activiteit? (bijv. droge slijmvliezen of stoornissen van erectie, spierkrampen tijdens de gemeenschap, rugpijn, moeheid of duizeligheid naderhand)

28.            Reageert uw stemming op onverwachte wijze op uw sexuele activiteit?

Bijv. droevig of huilerig, prikkelbaar of ontevredenheid na de gemeenschap.

29.   Reageren andere functies op uw sexuele activiteiten ? Bijv. sterke dorst of sterke transpiratie, kouwelijkheid, hartkloppingen

ALLEEN VOOR DE VROUW

30.            Op welke leeftijd begon de eerste menstruatie?

31.            Wanneer was de laatste menstruatie?

32.            Met welke regelmaat bent u ongesteld? Indien u niet meer ongesteld bent, hoe verliep de menstruatie vroeger?

33.            Hoe lang vloeit u? Hoe vloeit u? (hoeveelheid, kleur, geur, stelsels)

34.            Op welk tijdstip van de dag of nacht vloeit u het meest? Onderbreekt       het wel eens?

35.                 Doen zich bij de menstruatie bepaalde verschijnselen voor, gevoelens,gewaarwordingen, stemmingen?

36.            Heeft u wel eens last van witte vloed (afscheiding), wanneer, beschrijf de hoedanigheid, geur, kleur, kwetst het de huid, vloeibaar, pasta-achtig, tast het uw ondergoed aan?

37.            Hoeveel zwangerschappen heeft u doorgemaakt, hoe zijn die verlopen, hoe zijn de bevallingen verlopen, heeft u miskramen gehad?

MIND

38.            Kunt u iets over uzelf vertellen? Heeft u in het oog springende eigenschappen of karaktertrekken, krijgt u wel eens opmerkingen hierover uit uw omgeving, heeft u zogenaamde “slechte gewoontes” (bijv. nagelbijten, neiging te vloeken, neuspeuteren)

39.            Hoe is uw dagindeling, welke verplichtingen heeft u, gezin, werk, opleiding?

40.            Hoe besteed u uw vrije tijd, van welk soort ontspanning geniet u het       meest?


 

41.     Gaat het u gemakkelijk af contacten te leggen of een gesprek aan te knopen? Welk gezelschap verkiest u, hoe voelt u zich als u alleen bent, hoe voelt u zich in grote gezelschappen, bijv. in een kamer vol mensen, een kerk, theater of bioscoop, groot warenhuis, drukke winkelstraat?

42.     Bent u gehuwd of heeft u op een andere wijze een levenspartner gevonden, doen zich stoornissen in deze relatie voor?

43.     Hoe voelt u zich als u lang moet wachten?

44.     Hoe reageert u op zorgen?

45.     Bij welke omstandigheden huilt u? Zijn er bepaalde momenten dat u huilerig bent?

46.     Hoe verwerkt u verdriet en wat voor uitwerking heeft troost op u? Zijn er verdrietigheden in het leven geweest waar u nog vaak aan terug moet denken?

47.     Kent u het gevoel jaloers te zijn, wanneer deed of doet zich dat    voor?

48.     Kent u het gevoel wanhopig te zijn, wanneer deed of doet zich dat          voor?

49.     Hoe gedraagt u zich als u boos bent, komt dat vaak voor? Vertoont uw lichaam dan bepaalde reacties bijv. wit worden, rood worden, trillen, huilen enz?

50.            Heeft u we! eens verschijnselen of gewaarwordingen gekregen ten gevolge van een emotie, ergernis, verdriet, teleurstellende liefde, vernedering, verontwaardiging, slecht nieuws, schrik, blijde verrassing?

51.            Hoe is het met examen doen, zijn er dan problemen?

52.            Hoe kunt u tegen het zien van enge of nare zaken? Bijv. tv journaal, bloed, ziekenhuis, begrafenisstoet, griezelfilms.

53.            Er zijn mensen die emotioneel zeer gevoelig zijn, erg meelevend met andere mensen, hoe is dat met u, heeft u er last van?

54.            Sommige personen lijden er onder als alles niet netjes op zijn plaats staat. Anderen laat dat koud. En u? Krijgt u wel eens opmerkingen van anderen over uw preciesheid?

55.            De meeste mensen kennen wel bepaalde angsten, bij welke gelegenheid heeft u zich wel eens bang of angstig gevoeld, komt het nu nog wel eens voor? Bijv. angst voor de nacht, donker, alleen zijn, inbrekers, spoken, hogere machten, het verstand te verliezen of gek te worden, armoede, te vallen, hoogtevrees, watervrees, grotten, onweer, storm, dieren.

56.            Bent u vaak met uw eigen gezondheid bezig, of die van anderen?

57.   Hoe is het algemeen met uw stemming gesteld?

Is die meestal stabiel of onderhevig aan schommelingen?

58.            Hoe zijn uw gedachten over de dood, dood gaan, dood zijn, onder welke omstandigheden gaan uw gedachten hiernaar uit, zijn er wel eens omstandigheden geweest dat u liever dood wilde zijn, wat dacht of deed u toen?

59.            Wat betekent religie voor u, wat voor gevoel geeft het u te bedenken dat er een almacht is?

60.            Hoe denkt u terug aan het leven dat u tot nu toe achter u heeft? Wat zijn de belangrijkste gebeurtenissen erin?

61.     Hoe ziet u de toekomst tegemoet, heeft u verplichtingen, plannen,          ambities?

62.a     Dringen zich wel eens bepaalde gedachten aan u op, onaangename gedachten, kinderlijke gedachten, fantasieën, sexuele gedachten, angstige gedachten? Bijv. achtervolgd worden, dat anderen iets aan u zullen zien, dat anderen u niet mogen enz. Ziet u wel eens dingen die er achteraf bekeken niet zijn bijv. figuren in het donker?

62. B    Hoe is uw geheugen, kunt u bepaalde dingen slecht onthouden, bijv. namen, getallen, data?

63.     Hoe is uw concentratievermogen, met lezen, tv kijken, in een        gesprek?

64.     Kunt u altijd helder denken en uw gedachten onder woorden       brengen?

65.            Maakt u wel eens onwillekeurige schrijffouten of verschrijvingen of versprekingen?


z

 

 

 

d als

 


samen