Wiskundeles

Wiskundeles

Eigenlijk snap ik er niets van dat Elly zo een ruzie heeft gemaakt. Ik heb haar hele gewone dingen gevraagd en ze reageerde met grote heftigheid die ik niet van haar gewend ben. Ze snauwde me zelfs af. Ze liep helemaal rood aan. Op school zitten we samen in de klas, zelfs naast elkaar in de bank of liever aan het zelfde tafeltje. Het lijkt wel een café bij ons in de klas met al die tafeltjes en stoeltjes. Jammer dat de leraar geen oberkelner is. Heel gezellig en spannend dus. Ook vanmorgen dus. Te gaaf.

De klassenlerares kwam met het te fantastische nieuws. Elk jaar onderneemt de school iets voor de leerlingen. Dit jaar gaat het per leerjaar. Dus alle tweedeklassers gaan op zeilkamp. Te gek. Iedereen schreeuwde door elkaar van opwinding. Een paar kunnen er zeilen, maar de meeste niet. Dat is helemaal niet erg. Het gaat om de lol en misschien haal je het diploma. Vast wel. Zeker weten. Maar Elly reageerde helemaal niet. Ze was stil en zei geen woord. Geen moment deed ze meer mee. Wiske legde alles uit. Het werd de leukste wiskundeles van het jaar. Meteen een tekening van een scheefhangende boot op het bord. Hoge golven, veel wind.

– Kan iedereen zwemmen?, vroeg ze voor alle zekerheid. – Dat is geen punt. – Als een zeehond. – Als een dronken matroos!, riep de klas. – Jammer, ik hoopte dat er een paar niet zouden kunnen zwemmen. Dan was het probleem opgelost geweest. – Hoezo probleem?, Wiske een probleem? Dat lost Wiske toch op. Geen vraagstuk te hoog of Wiske zit erop!, joelde de zwerm, die niet op zijn plaats te houden was.

– Laten we er met zijn allen een nachtje over zeilen, stelde Jan-Jaap voor, als altijd naarstig op zoek naar een uitweg uit netelige posities. Wist hij veel met zijn dubbele voornaam.

– Dat is nou juist het probleem, zei Wiske. Niet iedereen kan mee op zeilkamp. Er is maar een beperkt aantal plaatsen. We zullen moeten loten.

  Wij hebben een boot thuis, zei Rob schoorvoetend. Misschien dat mijn vader haar uitleent.

– Dat is het probleem niet, Rob. Het gaat om het aantal instructeurs dat nodig is om deze landrotten om te turnen tot lichtmatroos. Maar even zo goed bedankt, hoor Rob, voor het aanbod, zei onze wiskundelerares, voor wie nooit een zee te hoog gaat. Haar brilletje wipte van haar te kleine neusje als een notendop op de golven. Krachtig duwde ze het weer op zijn plaats.

– Maar laat ik eerst eens tellen, zei ze glimlachend, weer geheel terug in haar eigen harde werkelijkheid. Iedereen ging mee, behalve Elly. Iedereen plaagde haar.

– Zandhaas, bangerik, watervrees, riepen ze allemaal door elkaar. Kielhalen die loze meid. Maar Elly reageerde helemaal niet. Ik snapte er niets van. Vanavond zal ik haar bellen, nam ik me zelf voor.

– Het is allemaal jouw schuld, zei ze op het laatst verontwaardigd tegen me, omdat iedereen bleef aandringen en plagen. Ze was opgestaan en huilend de klas uitgelopen. In het vrij kwartier was ze nergens te vinden.

– Hysterische meid, is haar hoofd kwijt, meende Jan-Jaap. Trekt wel weer bij. Gewoon op de lijst zetten, zei hij met groot probleemoplossend vermogen. Ik was er nog niet zo zeker van. ’s Avonds kwam er niets van het telefoontje omdat het schouwburgavond was, de culturele avond van de school. Dat waren we helemaal vergeten met zijn allen, te meer omdat het zo een modern toneelstuk was dat werd gespeeld door een echt toneelgezelschap waar niet zo veel belangstelling voor was. Er was nauwelijks decor, veel zwarte en grijze vlakken en de acteurs in witte lange gewaden gehuld. Het betrof een experimentele uitvoering van een stuk van Strindberg over een ingewikkelde verhouding tussen man en vrouw. Eerder een stuk voor de hoogste klassen en dat was ook te merken aan alle stukken en kanjers die er rondwaarden. Brugpiepers werden domweg over het hoofd gezien. Thuisgekomen werd er gebeld. Het was voor mij, zo laat nog.

– Waarom heb je me niet gebeld?, snikte Elly verongelijkt door de telefoon. Dat had je beloofd.

– Ik wist niet dat het zo belangrijk voor je was, antwoordde ik een beetje geschrokken van haar heftigheid.

– Je vraagt niet wat er aan de hand is, zei ze op een dwingende toon.

– Maar dat heb ik wel gedaan, gisteren, meerdere keren zelfs, zei ik een beetje geërgerd.

– Je hebt geen belangstelling voor me, huilde ze nu met volle kracht vooruit en was niet tot bedaren te brengen.

– Weet je wat, ik kom naar je toe. Door de telefoon gaat dit zo niet, zei ik kordaat.

– Dat hoeft niet, probeerde ze af te houden.

– Jawel, ik kom eraan.

In haar kamer was het een geweldige troep, die in een paar dagen moest zijn ontstaan.

– Wat is er aan de hand?, vroeg ik ongerust en tegelijk blij dat ik toch naar haar toe was gegaan. Ze viel me om mijn hals en ik troostte haar. Samen gingen we op haar bed zitten dat gedeeltelijk onder de kleren en andere spullen lag.

– Zijn je ouders er niet?, vroeg ik nieuwsgierig. Meestal word ik meteen begroet door een van haar ouders.

– Ze zijn met weekend, piepte Elly met een klein stemmetje.

– Waar naar toe?, vroeg ik met aandrang. Het was wel duidelijk dat ik er alles uit moest trekken.

– Naar Frankrijk. Naar Parijs, zei ze in twee zuchten.

– Heerlijk lijkt me dat. Een lang weekend. Mocht je niet mee of zo?, reageerde ik spontaan. Maar dat had ik beter niet kunnen zeggen, want ze barstte opnieuw in huilen uit en was voorlopig niet meer te stuiten. Ik probeerde haar te kalmeren door tegen haar te praten. Er moet nog veel meer aan de hand zijn. Je bent helemaal overstuur, zei ik dapper, wat er ook van mocht komen.

– Ja, snikte ze en viel pardoes tegen me aan zodat ik haar moest tegenhouden om zelf niet om te vallen.

– Vertel op. En nu wil ik alles weten, zei ik streng.

– Ze hadden ruzie met elkaar. Over Oma en ons. Ik heb ze afgeluisterd. Ze praatten over echtscheiding, sprak ze nu plotseling op kalme toon.

– Je bedoelt echtscheiding, hun echtscheiding, vroeg ik nu zelf geschrokken. Ik moest het precies weten.

– Ja, dat denk ik wel.

– Denk je het of weet je het zeker?

– Mijn vader zei dat hij naar Parijs moest en dat mijn moeder niet mee mocht omdat hij naar zijn vriendin daar ging, zei ze op een infotoontje.

– Je vader werkt daar toch. Ik bedoel: hij kan het onschuldig bedoeld hebben als een grapje, een manier van plagen, probeerde ik ter ontspanning van vooral mezelf. Ik wist dat haar vader een knappe man was die veel op reis was voor zijn werk door heel Europa en soms ook de rest van de wereld. Het hoofdkantoor van het internationale technische bedrijf was inderdaad in Parijs gevestigd.

– Goed, ze hadden ruzie, het liep uit de hand en toen hebben ze dingen gezegd die ze later betreurden. Zo gaat dat meestal. Daarna vallen ze elkaar weer in de armen, sprak ik vol levenswijsheid.

– Neen, want mijn moeder is naar Oma in Brussel en ze zei dat ze nooit meer terug kwam, reageerde ze als een klap op de vuurpijl. Op dat moment ging de deur open en Oma kwam binnen met een dienblad vol met dampende thee en de heerlijkste koekjes.

– Kijk eens hier, een vers kopje ter versterking, zei Oma glimlachend en volkomen kalm.

– Dag Yolanda, zei ze tegen mij, terwijl ik haar nog nooit gezien had. Ze leek als twee druppels water op Elly, maar dan wat ouder. Ik heb alles gehoord, zei ze praktisch. Jullie hoeven niets te herhalen. Ze gaf me een hand, nam plaats op het randje van het bed en sloeg uiterst elegant haar benen over elkaar die voor Oma’s van haar leeftijd er perfect verzorgd uitzagen. Het is allemaal waar, maar volgens mij is het een storm in een glas water, zei ze een slokje hete thee nippend. Vader gaat naar Parijs en komt naar Brussel om met moeder het een en ander te bepraten. Daarna komen ze samen weer terug. Je zal zien dat alles weer goed komt. Echt waar. Oma’s stem klonk volkomen onder controle. Cool man. Attent serveerde ze nog een koekje alsof dit allemaal de gewoonste zaak van de wereld was en misschien was het dat ook wel in de grote mensen wereld in deze moderne wereldwijde wereld van de technologische twintigste eeuw. Daar hoorden moderne verhoudingen bij en moderne oplossingen bij kennelijk oude bekende problemen. Voor dat laatste waren Oma’s dan toch nog wel nodig, voor het begrip en de nodige rust en vrede. Oma als anti paniekfactor nummer een, als bewezen kwaliteit van de familie. De rij van voorouders als stevige touwladder waarmee je als een Pim Pandoer met een gerust hart in deze woelige wereld je kunt storten en alle gevaren kunt trotseren. Ik was toch wel onder de indruk en een beetje van mijn stuk geraakt. Oma merkte dat.

– Vertel het nou maar, Yolanda, zei Oma opgewekt.

– Eh….wat bedoelt U, Oma?, zei ik opschrikkend uit mijn gepeins.

– Je kwam toch praten over het zeilkamp, zei Oma doortastend.

– Oh ja, natuurlijk, zei ik lachend de hint begrijpend. En met zijn drieën bespraken we tot in details de louterende voordelen van het komende zeilkamp, ook al zou er wel een echtscheiding van komen. Wat Oma zo zeker maakte, wist ik niet op dat moment. Maar kennelijk had Elly iets te veel gehoord en te veel fantasie gehad. De komst van Oma had ze helemaal verkeerd uitgelegd als een bewijs van naderend onheil. Na het gesprek met Oma telefoneerde Elly met haar vader en moeder apart. Dat stelde haar gerust. Het besluit om deel te nemen aan het zeilkamp werd via Europese telecommunicatie geregeld. Toen haar ouders na het weekend thuis gekomen waren, liep Elly trots als een pauw in een Bretonse schipperstrui met suède schouderstukken en nieuwe bootschoenen. Haar tijd ver vooruit. Zo kende ik haar weer. 1700 jn

U kunt hier een reactie plaatsen!